Enige geschiedenis van de muziek.

Wij hebben getracht een heel summiere ontwikkeling in de muziek weer te geven, en dit is verre van volledig.
Er zijn hierover vele dikke boeken  geschreven, en daar is hier en daar een greep(je) uit gedaan.


Muziek werd vroeger nog niet opgeschreven maar van generatie op generatie mondeling doorgegeven.
Ze werd voornamelijk gebruikt in kerken en kloosters.

Het is zeker dat paus Gregorius een grote rol speelde in de rol van muziek in de (vroege) middeleeuwen, maar hij heeft niet alle muziek gecomponeerd.
Pas vier eeuwen na de dood van paus Gregorius die leefde van 540 - 604,   begon men als geheugensteun een soort primitieve notatie te ontwikkelen, om zich de vele honderden gezangen te herinneren en aan volgende generaties door te geven.

Deze notatie noemt men Neumen.


Een neume (Gr. νευμα: teken, aanwijzing) is een teken ter aanduiding van de melodiegang bij een gezongen lettergreep.
Door het stijgen of dalen van een lijn werd weliswaar de beweging van de tonen aangeduid maar niet de hoogte, het interval, het ritme of de tijdsduur.

Neumen zijn het oudste muziekschrift van Europa. De (West-Europese) neumtekens zijn ontstaan in de 9e eeuw en waren bedoeld als geheugensteun voor de koorleider bij het instuderen en dirigeren van de Gregoriaanse gezangen.
Het is een proces van eeuwen geweest, eer dit het Gregoriaans werd tot wat we nu kennen.



Ook in de grijze oudheid was er al muziek en zang. .

Het oudst bekende lied komt uit Ur, en is zo’n 4000 jaar oud. Dit lied hebben ze ontcijferd en daaruit is duidelijk geworden dat het gecomponeerd is voor 3 personen. Het is dus niet waar dat de mensen uit de oudheid nooit op het idee waren gekomen om met verschillende melodieën tegelijk te zingen.
 Ook kunnen we denken aan Genesis 4. vs 21 "Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen.” In de bijbel lezen we ook al over verschillende instrumenten (luit, tamboerijn, bazuin etc).Denk maar aan David met zijn harp.

De geschiedenis van de westerse muziek is dan ook sterk beïnvloed door de kerk. De kerk was een grote inspiratiebron voor componisten. Ook in de middeleeuwen waren de mensen die muziek maakten geïnspireerd door de kerk.

Er is nog veel en veel meer te vertellen over het ontstaan van de muziek en zang, en over de invloed er van op de westerse muziek, maar we zullen het hierbij maar laten.

De geschiedenis van de muziek in de westerse wereld kunnen we grofweg indelen in een aantal periodes.

Vroege Middeleeuwen (500-1000)

In de vroege middeleeuwen is de ontwikkeling van de klassieke muziek gebonden aan de ontwikkeling van de kerkmuziek. De in de kerk gezongen melodieën waren voornamelijk uit Azië afkomstig. Deze melodieën ondergingen een verandering: zij werden ontdaan van hun versieringen, zodat slechts de belangrijkste tonen overbleven.
Deze kerkgezangen werden vanaf de 6e eeuw verzameld en gecodificeerd (vastgelegd) op last van paus Gregorius de Grote (paus van 590 tot 604). Deze verzameling staat sindsdien bekend als Gregoriaanse muziek: het zijn alle eenstemmige gezangen.

 Middeleeuwen (1000-1450)

De belangrijkste vernieuwing in de Middeleeuwen, is de polyfonie, de meerstemmigheid. Omdat in de meerstemmigheid de terts het belangrijkste interval is, moest een nieuwe toonladder worden geconstrueerd, op basis van de consonantie ( samenklank van tonen) van tertsen.
 Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, waarbij de noot als een punt (Latijn: punctus) op een balk met lijnen werd genoteerd.
Bij polyfone (meerstemmig) muziek klinken meerdere noten tegelijkertijd, noot tegen noot (Latijn: punctus contra punctus); met het contrapunt (tegenstem) was ook het beroep componist geboren.

De volgende stijlen kunnen worden onderscheiden: Organum (11e eeuw), Ars Antigua (ca 1100-1300), Ars Nova (ca 1300-1450), Trecento (Italiaanse muziek uit de 14e eeuw) en Ars Subtilior (ca 1425-1450).

Renaissance (1450-1600)

De muzikale ontwikkelingen in de Renaissance kunnen als volgt worden samengevat: wijziging van in het notatiesysteem (meer 'open', witte notatie dan zwarte); naast religieuze steeds meer profane en instrumentale muziek; striktere regels betreffende consonantie en dissonantie; meer aandacht voor de relatie tekst-muziek; internationale verspreiding van het polyfone repertoire, onder meer door de opkomst en het succes van de muziekdruk.
 In de Renaissance waren het vooral de componisten uit de Lage Landen (het huidige Nederland, België en Noord-Frankrijk) die voor deze vernieuwingen instonden.
 Belangrijke namen - uit de meer dan honderd die kunnen geciteerd worden - zijn hierbij Guillaume Dufay, Ockeghem, Josquin, Pierre de la Rue, Jacob Obrecht, Nicolas Gombert, Clemens non Papa, Willaert, Orlandus Lassus (Roland de Lassus, Orlando di Lasso), Josquin Des Prez en Philippus De Monte. De laatste grote Renaissance componist was de Romein Palestrina (1525-1594).

 Barok (1600-1750)

Rond 1600 verandert de stijl van de gecomponeerde muziek in minder dan vijf jaar tijd. De monodie met zijn systeem van basso continuo, en de harmonie doen hun intrede, en daarmee de cadensen. In deze periode worden ook de meeste moderne muziekinstrumenten ontwikkeld: de strijkinstrumenten (zij het nog met een kortere strijkstok) en de blaasinstrumenten (zij het nog zonder het moderne kleppensysteem). Tot aan de barok waren de belangrijkste ontwikkelingen steeds aan een overwegend vocale uitvoeringspraktijk gekoppeld. Vanaf de barok neemt de instrumentale muziek deze leidende rol over. Tot de belangrijkste componisten worden gerekend: Claudio Monteverdi, Dietrich Buxtehude, Johann Pachelbel, Antonio Vivaldi, Georg Friedrich Händel en Johann Sebastian Bach.

De barok wordt over het algemeen geacht te eindigen met de dood van J.S. Bach (1685-1750).

 Classicisme (1750-1810)

Aan de periode van het classicisme ontleent de klassieke muziek haar naam. Binnen de muziekgeschiedenis is zij echter zeer kort, en omvat hoofdzakelijk de werken van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn (1e Weense School). Soms worden ook de vroege werken van Ludwig van Beethoven hiertoe gerekend. Een van de belangrijkste vernieuwingen, oorspronkelijk afkomstig uit de zogenaamde Mannheimer Schule, is het integrale gebruik van tekens om de dynamiek te noteren (zoals p voor zacht en f voor luid). Voorts blijft de muziek hoofdzakelijk tonaal, maar kent een grote verandering, langzamerhand wordt het contrapunt vervangen door de harmonie en begint de pianoforte aan een sterke opmars, ze maakt de weg vrij voor de triomftocht van de piano.

In de periode van het classicisme ontstaan nieuwe vormen: de sonatevorm, de symfonie; en nieuwe bezettingen: het strijkkwartet en het (dan nog kleine) symfonieorkest.

 Romantiek (1810-1910)

In de romantische periode van de klassieke muziek maken componisten steeds grotere composities met steeds meer noten, moeilijkere ritmes en steeds complexere harmonische ontwikkelingen. Ze gebruiken veel en vreemde, niet eerder toegepaste muziekinstrumenten. Er is veel drama en emotie te horen. Alles draait om wat mensen voelen, fantasie en de natuur.
Enige componisten uit die tijd:
Debussy (1862-1918), Ravel (1875-1937), Puccini (1858-1924)

De tendens van de muzikale ontwikkelingen in de 19e eeuw is afkomstig uit de vooruitgangsgedachte uit de Verlichting, en leidde tot steeds grotere werken, steeds grotere orkesten, steeds virtuozere speeltechnieken op steeds verbeterde muziekinstrumenten en steeds complexere harmonische ontwikkelingen.

De Modernen (vanaf 1910)

Bewust a-romantisch. Harde, scherpe dissonanten.
Enige componisten uit deze periode: 
Schönberg (1872-1952), Bartok (1881-1945), Kodali (1882- )
Strawinsky (1882- )


Noot: De meeste tekst is overgenomen uit de Wikipedia Ency.